Actueel

In Memoriam Jan Bieleman

Jan Bieleman

1949-2021

Op woensdag 9 juni is Jan Bieleman overleden. Hij was oud-bestuurslid en erelid van onze vereniging, maar meer nog, hij was decennialang hét gezicht van de agrarische geschiedschrijving in Nederland. Dat blijkt uit het feit dat nog tot op de dag van zijn overlijden geregeld bij de vereniging verzoeken binnenkwamen van mensen die zijn advies wilden over landbouwhistorische kwesties of hem daarover wilden interviewen. Hij heeft een stempel gedrukt op de Nederlandse agrarische geschiedschrijving, wat des te opvallender is als we ons realiseren dat hij van huis uit geen historicus was, maar een ‘afvallige landschapsarchitect’, zoals hij het zelf uitdrukte in het voorwoord van zijn dissertatie.

            De bakkerszoon uit het Overijsselse Heino – een herkomst waar hij prat op ging – ging inderdaad eind jaren zestig landschapsarchitectuur studeren in Wageningen, maar raakte daar gegrepen door de geschiedenis zoals die aan de toenmalige Afdeling Agrarische Geschiedenis werd beoefend, met name onder invloed van de door hem zeer bewonderde Henk Roessingh, evenals Jan een echte Wageningse ingenieur die zich tot historicus had ontwikkeld.

            In 1978, na zijn afstuderen, kreeg hij de kans om de agrarische geschiedenis van Drenthe te gaan bestuderen, als voorbereiding voor de provinciegeschiedenis die daar onder leiding van de Rijksarchivaris Heringa in de maak was. Dit resulteerde uiteindelijk in zijn monumentale proefschrift Boeren op het Drentse zand, dat verscheen als A.A.G. Bijdragen 29 in 1987. In dit proefschrift bouwde Jan voort op de traditie van de ‘Wageningse School’, die gericht was op brede regionale studies over de geschiedenis van bevolking, economie en samenleving. Hij voegde daar echter een nieuw element aan toe, een diepgaande agronomische benadering die hij van Roessingh had overgenomen. Hiermee heeft hij jongere onderzoekers als Peter Priester, Paul Brusse en Piet van Cruyningen beïnvloed en geïnspireerd.

            Intussen was hij naar Wageningen teruggekeerd, waar hij Roessingh opvolgde bij Agrarische Geschiedenis. Hij ging daar toen het vak Agrarische Geschiedenis doceren, wat hij bleef doen tot zijn pensionering. Later ontwikkelde hij samen met socioloog Jan Schakel het vak Agrotechnologie en Samenleving. De benadering die hij eerst had toegepast op de agrarische geschiedenis van Drenthe ging hij nu toepassen op die van heel Nederland, wat resulteerde in zijn boek Geschiedenis van de Nederlandse landbouw 1500-1950, dat in 1992 verscheen. Hiermee werd hij definitief dé landbouwhistoricus van Nederland.

            Internationaal werd hij ook erkend als dé Nederlandse landbouwhistoricus. In het CORN (COmparative Rural History of the North Sea area) project, waarin, op Vlaams initiatief, historici uit het Noordzeegebied samenwerkten om de agrarische geschiedenis van deze regio te onderzoeken, heeft hij een belangrijk aandeel gehad en werd hij gewaardeerd om zijn deskundigheid. In Nederland produceerde hij samen met Peter Priester het belangrijke deel over de landbouw voor het Techniek in Nederland in de twintigste eeuw project (2000). In 2008 leverde hij zijn magnum opus af: Boeren in Nederland. Geschiedenis van de Nederlandse landbouw 1500-2000, in feite een nieuwe editie van het boek uit 1992, uitgebreid met de periode na 1950, gebaseerd op zijn werk voor het techniek project. In 2014 werd dit boek door de leden van de Vereniging voor Landbouwgeschiedenis bij gelegenheid van haar vijfenzestigste verjaardag gekozen tot het beste boek op het terrein van de agrarische geschiedenis. Een ingekorte vertaling, Five centuries of farming, verscheen twee jaar later. Intussen had hij ook een zestal promovendi succesvol begeleid bij het schrijven van hun dissertatie.

            Jan deed de wetenschap niet puur om de wetenschap. Na zijn proefschrift heeft hij zo ongeveer in elke Drentse gemeente een lezing gehouden over de resultaten ervan, en in 2008/2009 verscheen in 35 afleveringen bij Uitgeverij Waanders Ons Boerenland, waarvan hij de drijvende kracht was en dat zijn denken populariseerde.

            Tegenwoordig wordt te pas en te onpas het woord ‘passie’ gebruikt, maar te zeggen dat Jan een passie had voor agrarische geschiedenis is nog een understatement, Jan wás agrarische geschiedenis. Dat uitte zich niet alleen op zijn werk in Wageningen, maar ook in zijn lidmaatschap van de Vereniging voor Landbouwgeschiedenis, waarvan hij meerdere keren bestuurslid en secretaris was. Hij organiseerde boeiende excursies – hij was daar een meester in en dan echt in zijn element – en ook als hij eens een keer niet in het bestuur zat organiseerde hij lezingen met, dankzij zijn uitgebreide netwerk, de meest deskundige sprekers. Het strekte zich ook uit tot boerderijbouw. Van 1988 tot 2007 zat hij, als opvolger van Godaert van der Poel, wiens werk ook van grote invloed op Jan was, in het bestuur van de Stichting Historisch Boerderij-Onderzoek, sinds 1991 als lid van het dagelijks bestuur.

            In 2012 is Jan vervroegd met pensioen gegaan. In de jaren daarvoor had hij ernstige gezondheidsproblemen gekregen. Helaas werden die problemen steeds ernstiger. Het leidde ertoe dat hij zich terugtrok uit de landbouwhistorische wereld en stopte met onderzoek doen. In 2017 hebben we hem voor het laatst bij een activiteit van onze vereniging gezien, bij de excursie naar oostelijk Zeeuws-Vlaanderen en de Hedwigepolder. Nu is dan een eind gekomen aan het vruchtbare leven van deze getalenteerde, gedreven, behulpzame en integere landbouwhistoricus. Zijn grote stempel op de landbouwgeschiedenis zal blijven. Ons medeleven gaat uit naar zijn vrouw en familie.

Piet van Cruyningen

(met dank aan Anton Schuurman en Richard Paping)